Jongen pijpt zichzelf sex in de rimboe

.

Man zoekt man voor sex zwangere vrouw zoekt man

Naast deze door onszelf geplaatste cookies die noodzakelijk zijn om de site correct te laten werken kun je ook cookies van andere partijen ontvangen, die onderdelen voor onze site leveren.

Cookies kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om een bepaalde advertentie maar één keer te tonen. Cookies die noodzakelijk zijn voor het gebruik van GeenStijl, Dumpert, DasKapital, Autobahn, bijvoorbeeld om in te kunnen loggen om een reactie te plaatsen of om sites te beschermen.

Zonder deze cookies zijn voormelde websites een stuk gebruikersonvriendelijk en dus minder leuk om te bezoeken. Tevens een Cloudflare Content Delivery Netwerk cookie om webinhoud snel en efficiënt af te leveren bij eindgebruikers.

Dat zeiden we dus al. Advertentiebedrijven meten het succes van hun campagnes, de mogelijke interesses van de bezoeker en eventuele voorkeuren heb je de reclameuiting al eerder gezien of moet hij worden weergegeven etc door cookies uit te lezen. Heeft een advertentiebedrijf banners op meerdere websites dan kunnen de gegevens van deze websites worden gecombineerd om een beter profiel op te stellen. Zo kunnen adverteerders hun cookies op meerdere sites plaatsen en zo een gedetailleerd beeld krijgen van de interesses van de gebruiker.

Hiermee kunnen gerichter en relevantere advertenties worden weergegeven. Zo kun je na het bezoeken van een webwinkel op andere sites banners krijgen met juist de door jezelf bekeken producten of soortgelijke producten.

De websitehouder kan die cookies overigens  niet  inzien. Je hoeft niet bang te zijn voor deze bedrijven. Ze zijn best lief. En leren is leuk. Om onze bezoekersstatistieken bij te houden maken we gebruik van Google Analytics. Dit systeem houdt bij welke pagina's onze bezoekers bekijken, waar zij vandaan komen en op klikken, welke browser en schermresolutie ze gebruiken en nog veel meer.

Deze informatie gebruiken we om een beter beeld te krijgen van onze bezoekers en om onze site hierop te optimaliseren. Zo worden onze websites nog veel superduper leuker om aan te klikken dan voorheen.

Google, die deze dienst levert, gebruikt de informatie om een relevant, anoniem advertentieprofiel op te bouwen waarmee men gerichter advertenties kan aanbieden. Naast bovenstaande zijn er meer onderdelen die een cookie kunnen opleveren. Veelal worden deze gebruikt door de content-partners om te analyseren op welke sites hun gebruikers actief zijn en hoe hun diensten presteren. Denk hierbij aan filmpjes van bijvoorbeeld YouTube, foto's van diensten als Imgur, Tumblr of picasa, en 'like' knoppen van sociale mediasites als Twitter en Facebook.

Deze websites schijnen best wel een beetje populair te zijn dus we dachten: Wil je nou echt nog meer weten? Ja, door hier te klikken ga ik akkoord met de cookies, scripts en webbeacons die via NewsMedia Websites GeenStijl, Dumpert, Das Kapital en Autobahn geplaatst kunnen worden. Ik begrijp dat deze cookies, scripts en webbeacons door NewsMedia Websites en door derden geplaatst kunnen worden voor functionele en analytische doeleinden, voor social media, om mij advertenties te tonen, mijn surfgedrag te volgen of gewoon omdat men daar zin in heeft.

Ik ga er ook mee akkoord dat met behulp van deze cookies, scripts en webbeacons persoonsgegevens over mij kunnen worden verwerkt voor deze doeleinden. Ondanks dat ik op de rest van het internet prima mijn eigen privacy kan regelen of er simpelweg niet om geef, ben ik dankbaar dat de overheid mij overal op het Nederlandse web van dit soort nep-privacy-beschermings­stickers voorziet.

Scroll omlaag voor meer informatie. Moe van dit soort popups? Installeer dan de Deze plugin om van het gezeur af te zijn. Hieronder staat het, nog even doorscrollen. Dus u wilt meer informatie? Bij het bezoeken van NewsMedia sites kun je de volgende soorten cookies verwachten: Functionele cookies aka supermegahandige cookies Cookies die noodzakelijk zijn voor het gebruik van GeenStijl, Dumpert, DasKapital, Autobahn, bijvoorbeeld om in te kunnen loggen om een reactie te plaatsen of om sites te beschermen.

Cookies van Advertentiebedrijven aka de schoorsteencookies Advertentiebedrijven meten het succes van hun campagnes, de mogelijke interesses van de bezoeker en eventuele voorkeuren heb je de reclameuiting al eerder gezien of moet hij worden weergegeven etc door cookies uit te lezen. Cookies voor Website-analyse aka de Kenneth-Perez-cookies Meten is weten.

O, gebrek aan moed tot grofheid! Ik ben nu verplicht in de warme hut te blijven omdat ik gejokt heb; niet zonder mij af te vragen wat een Stanley of een Schopenhauer in mijn plaats zou hebben gedaan. Hollandse lezer, dit is ironie.

Jane gaat alleen naar de eetzaal, wordt natuurlijk aan de grote tafel gevraagd, komt stikkend van de lach terug. De jonge scheepsdokter, sportief-uitziende Deen, heeft mij pillen willen brengen en is slechts met moeite door Jane daarvan weerhouden; hij had pillen voor de dag en voor de nacht. De kapitein heeft met haar geklonken, natuurlijk ook op mijn beterschap. In de vroegte opeens kennisgemaakt met de andere Hollander aan boord. Het is een oude heer van 70 jaar die er uitziet als nauwelijks 60; klein en met aplomb op zijn voeten geplant.

Daar hij van de juwelier gehoord moet hebben wat ik ben, houdt hij een boek voor me op, en zowaar al een Marianne Philips. Of ik het ken? Het heet Henri van de Overkant. Het gaat over Joden! Hij is als scheepsjongen begonnen als zovele Compagniesdienaren die als Edeleer eindigden ; heeft het tot kapitein gebracht, op zeilschepen nog, later op de eerste K. Geëindigd als hoge ome in de planterswereld, superintendent van diverse rubberondernemingen. Of ik de film Rubber gezien had?

Hij vindt overigens dat die boeken over rubberplanters erg overdreven zijn; maar ja, als ze niet overdrijven, willen de mensen het natuurlijk niet lezen. En hij kende ook iemand die Multatuli nog gekend had, maar die sloeg zijn vrouw en om haar te straffen zette hij haar soms bovenop de kast. Van wie anders heeft men mij dit ook al verteld?

Overgaand op de juwelier: Die Joden wéten wel dat ze zich nu koest moeten houden, enz. Het lijkt, nu ik het zo opschrijf, abject genoeg. Maar de man zelf had uitgesproken iets aardigs.

Gelukkig komt hij spoedig op zijn eigen terrein en vertelt jachtverhalen. Hij is een groot jager, heeft ettelijke tijgers geschoten en in Zuid-Afrika, bij zijn broer, zelfs een leeuw.

Hier is het verhaal van zijn eerste tijger, die hij had geschoten. Als employé in de Oosthoek liep hij eens met het geld voor de uitbetaling en een inlander achter hem aan, met wie hij af en toe een woord wisselde. Plotseling geen antwoord meer; hij dacht eerst dat de man was weggelopen. Toen zag hij, aan een struik hangend, zijn hoofddoek, en hij begreep: Daar hij ongewapend was, ging hij haastig naar huis; liet daarna het lijk.

Met de resten als lokaas, werd alles voorbereid om de tijger te schieten; hijzelf zat die nacht in een boom, geweer klaar; de tijger verscheen Op het ogenblik van aan te leggen rook hij een walgelijke geur, begreep niet, merkte, dat zijn hand nat was, zijn geweerloop, zijn hele arm, keek op: Toen tot hem doordrong wat de man hem had aangedaan, dacht hij gewoon niet meer aan schieten: Voor delicate lieden is dit verhaal natuurlijk ook verre van mooi, maar ik verslond het als de eerste menswaardige kost sinds een week.

Wij stonden bijna 2 uur naast elkaar over de verschansing te kijken, want hij had nog vele andere verhalen, o. Twee of drie grote gebouwen in engelse kolonisatie-stijl, verder loodsen en hijskranen als in Aden en Perim. Negers komen aan boord met uitstaande ragebollen en fraaie tressen op de wangen gekerfd; zij hebben een eigenaardige dansende pas, tegelijk veerkrachtig en waggelend. Wij bezoeken eerst de winkelbuurt, men moet zijn vrienden briefkaarten zenden.

Een gids die verstaanbaar engels spreekt en ons later met trots zal vertellen, dat hij eens ook zo'n ragebol gedragen heeft, tikt met klem op de foto's van een film met Greta Garbo; en alsof zij persoonlijk hier optrad: Verder roofvogels, gieren, kiekendieven en andere, die links en rechts van onze taxi opvliegen, van de mesthopen waarop zij zich beijverden. Hierna bezoek aan een zeetuin, die weldra mooier gevonden wordt dan die van de Molukken.

Op een slimme manier zijn ruiten op de bodem van de schuit aangebracht, waarin wij met ons allen plaats hebben genomen, compleet geëquipeerd met handschoentje en dikke dame. Men hangt krampachtig over de ruiten, onder groot geroep van: Met de straf later precies dezelfde opmerking te moeten aantreffen in het prospectus van de tocht, op het bord gespijkerd nog bij de eetzaal. Goddank dat de dikke dame alles overstemt: O, daar heb je vissen als paradijsvogels!

Maar ze moeten bóós gemaakt worden; nou, en toen maakte die man ze boos voor ons en toen werden ze vúúrrood gewoon, vúúr-róód! Op de terugweg, bij een paar kraampjes, onthult zich een personage, dat wij de scheepshysterica hebben genoemd.

Het is een personage met ruige lippen en een vals gebit, dat men hoort zingen: Zij heeft nu de jonge Engelsman van de verlovingsringen bij zich en slaat eerst zichzelf en dan hem op de bipsen met een karwats uit een kraampje wegge-.

Door het aan wal gaan, het stilliggen van de boot, voelt men de warmte geweldig. Alle poriën gapen, men heeft rode hond op hals en gezicht, voelt zich kleverig en proeft zichzelf als zout. Ik lees Meneer Visser's Hellevaart van Vestdijk.

Als ze dit boek in hun gezicht krijgen, zullen onze braafhollandse critici, na de knapheid gegroet te hebben die onmiskenbaar is, hevig klagen over de geringe moraal, de viezigheid, de rarigheid, enz.

Men weet dat nauwkeurig berekend vooruit. Maar men zou willen weten hoe ze gereageerd zouden hebben als het boek doodgewoon De Hollandse Burger genoemd was. Meneer Visser is de hollandse burger, zij het dan gezien met een talent à la Daumier.

Hier in deze omgeving is de lectuur voor mij haast onverdragelijk; Montherlant was althans een tegengif. Wij krijgen nader contact met de dokter, die het niet helpen kan dat hij een kinderlijke Deen is, maar die werkelijk twee wedergeboorten van cultuur meer heeft doorgemaakt dan alle anderen aan boord, meent Jane.

Hij blijkt zelfs een soort artistiek temperament te bezitten: In het deense boekje ontdek ik zelfs een citaat van A. Roland Holst, die er. Het is werkelijk beminnelijk van de dokter, maar wat een mondaine komedie blijft al dit gepraat over zaken des geestes. Sinds ik hier ben noteer ik onze nieuwe gesprekken om eruit te leren; zo ongeveer als die professoren-in-de-primitieve-ziel die alles optekenen van de bosjesmannen en papoea's.

En het boeiende is, dat de onzekerheid niet eens altijd weggenomen wordt. Elk woord dat ik met hem sprak klinkt mijzelf toe als inept, want aangepast; je denkt van jezelf: De kapitein heeft een gesprek met Jane gehad, informerend of haar man schrijver is.

Ja, hij had hier aan boord al eens een ander schrijver gehad: En pal daarop de bekentenis dat Galsworthy gesupposeerd een orakel voor ons te zijn hem wel wat moeilijk was: Een sympathieke man, deze kapitein? Zijn gezicht is niet innemend, en men mag hem aan boord niet erg; de dikke dame vooral heeft haar besluit aangekondigd hem de hele reis te zullen negéren, omdat hij de passagiers niet behandelt zoals het behoort.

Hij vindt de cocktail-parties ook niet zo leuk, vermoeden wij, hij moet er vrolijk bij doen en voelt waarschijnlijk meer voor een stille dronk, het gaat hem allemaal niet zo goed af. De conversatie het minst. Als hij met de juwelier praat, grijpt hij opeens een van diens dochtertjes bij het haar - gelukkige uitlaatklep, ontsnapping uit een gesprek dat niet vlotten wil. Kapitein, stuurman, dokter, wie niet, stoeit graag met de kleine meisjes. Hoeveel jongensachtigheid hierin, en hoeveel sexualiteit, bij deze Denen?

Onbewust altijd, o, hevig onbewust! Wij zijn de Rode Zee nu uit. Ze heette koel voor haar doen, maar toch Wat je uit de douche kreeg was warm zeewater, slecht af te spoelen, een nieuw kleverig gevoel gevend. Geen brieven geschreven, je zou het met transpiratie inplaats van met inkt hebben gedaan. Er bestaat bij europese vrouwen een grote behoefte om de temperatuur op Java te vereenzelvigen met die van de Rode Zee. Als dameskleeding overdag, buitenshuis, is aan te raden: Deze middag, toen ons zoontje sliep, en hij Jane en mij alleen op het dek zag zitten, is onze boy Rasidi mij in het maleis verhalen komen doen.

Hoe hij uit een desa in het Buitenzorgse naar Batavia was getrokken, hoe hij daar gewerkt had, daarna boy op een boot was geworden en in Holland gebleven in een indisch restaurant. Hoe hij hollandse lessen gekregen had van een javaans edelman, en hoe hij en de andere boys elkaar later die lessen overgedaan hadden, thuis, met een zwart bord; voor de goedkoopte, zoals ze elkaar ook schoren omdat de kapper te duur was. Hij, Rasidi, had met lesgeven en scheren soms wel f 60 in de maand verdiend.

Maar hij was nu zolang weggebleven en zijn vader had hem teruggeroepen; zijn moeder was ondertussen gestorven. Hij liet mij het briefje zien dat hem namens zijn vader geschreven.

Deze sociale bijzonderheden interesseren mij minder dan het wonderverhaal dat erop volgt. Zijn vader was eigenlijk ook een soort tovenaar, zei Rasidi; hij kon genezen met het woord en als hij boos was, werd hij gevaarlijk zonder dat hij het zelf helpen kon.

Als bewijs van het eerste dit: Rasidi was eens met zijn broer het bos ingegaan om hout te halen - vermoedelijk om het te stelen - want zijn vader had geen geld gegeven; hij had toen drie vrouwen en Rasidi's moeder kwam te kort.

Bij het wegslepen van een boomstam was het ene eind hem uit de handen geslipt en hij had het op zijn voet gekregen, die onmiddellijk ontzettend dik opgezwollen was. Hij stond als op de plek vastgenageld en op datzelfde ogenblik zag hij zijn vader aankomen, die tegen hem zei: Ik heb je toch gezegd dat je zulke dingen niet doen moest! Zijn vader was dichterbij gekomen en had naar de voet gekeken; daarna iets gepreveld, en in een ogenblik was de zwelling weg. Rasidi kon weer doorlopen en zei bij zichzelf: De broer daarentegen die hem toen vergezeld had, zijn oudste broer, was door zijn vader doodgeslagen in een onbewaakt ogenblik.

Het was overigens de schuld van de broer zelf geweest. Hij had een beetje geld gekregen van zijn moeder om wat handel te drijven en op een avond had zijn moeder hem afrekening gevraagd.

Hij was toen zo woedend geworden, dat hij zijn moeder het geld in het gezicht smeet. Rasidi's broer was ziek geworden en 3 dagen later overleden.

Het had zijn vader zelf erg gespeten, lichtte hij toe toen ik hem ernaar vroeg, maar er was niets meer aan te doen geweest; de uitwerking van zijn eigen klap, die hem in boosheid ontsnapt was, had hij niet tegen kunnen gaan: En hoe vreemd, toen hij dood was, had Rasidi zelf gezien hoe op de rug van het lijk de open hand van zijn vader duidelijk stond afgetekend, met alle vingers, helemaal zwart.

Ik denk van niet of niet helemaal; maar ik durf het zó toch niet zeggen: De ellende van deze boot is die van een familiepension waarin iedereen te veel vrije tijd heeft. Op het dek lezen gaat niet meer zonder dat je wordt aangesproken; het gebeurt vroeger of later, maar altijd. Er moet gepraat worden, al is er niet één woord bij dat hout snijdt. O, Robert Louis Stevenson, op je reizen zo praatvaardig altijd, en bij allerlei lieden, hoe heb je het aangelegd?

In de engelse stijl? Als de mensen je zó zwaar en langzaam uitleggen wat volstrekt niets betekent, hoe kan je dan dingen zeggen die iets betekenen en vlug? Te zijn of niet te zijn? En toch, wie weet: Een van onze krampen wordt veroorzaakt door de beheersing in het roddelen: Steeds nog het idee: Wat blijven zal, zijn misschien een paar beelden.

De zee, op verschillende manieren geregistreerd; als kleuren: Het witte rasterwerk van de verschansing, en de wit-en-rode reddingsboeien met Kèbenhavn erop, en de crème-en-groene luchtkokers. Wat zal het langst nablijven? De grote wilde veren aan de hemel, juist toen het handschoentje haar zeeziekte op dek kwam laten doorwaaien? Het wegzeilen van het water als vleugels, links en rechts van het schip, daar waar het z.

De pastelhemel van vanavond, abrikozen en krijt, met een citroengele, d. Er is nu een heerlijke wind en bijna geen deining, of dit schip vaart vaster dan ooit, onder zijn last van torpedo's!

En bruinvissen of dolfijnen - niemand heeft het precies kunnen zeggen - die ons vergezelden, springend en op zij neerploffend als veulens de dokter filmt ze, met veel list en koppigheid. En toen wij de golf van Suez uitkwamen, een zonsondergang, vlakbij het eiland Shadwan, als een illustratie voor een gedicht van Slauerhoff; met gouden banen in de.

En nauwelijks was zij weg, of het halvemaantje liet gouden hiërogliefen vallen op de baren, zowaar de arabische letters die er nog aan ontbraken. Het promenadedek is ± 70 stappen lang. Er zijn er die het krijgshaftig op en afstappen. Er zijn ook vele spelletjes, die alle iets hebben van dekvegen. Sinds we in de Indische Oceaan zijn, ziet men de achtersteven sterker op en neer gaan; de deining is nauwelijks sterker, maar langer.

Wij naderen, maar onder de Hollanders stijgt meer en meer gepruttel op over de deense lunch die tegen begint te staan. Zelfs voor hen die eerst dachten er makkelijk aan te zullen wennen; de aardigheid van het alles zelf uitzoeken is er af, men bepaalt zich tot wat er op tafel staat of gebracht wordt en peutert dagelijks tussen dezelfde smaakjes: Ik word gekweld door versregels, niet Slauerhoff 's De lange achtermiddagen aan boord , hoewel ik daaraan wel denk, maar het kwatrijntje dat een kapitein zong, 28 jaar geleden, op een boot tussen Priuk en de Wijnkoopsbaai.

Het was een vrolijke blonde jonge kapitein, een die al deze passagiers zou hebben verrukt; en hij zong:. Wat een verantwoordelijkheid om een kleine jongen zoiets voor al zijn latere zeereizen mee te geven. De oude planter komt naast mij staan en zegt dat Rasidi een bliksems handige jongen is en dat hij zo aardig met mijn zoontje speelt.

Ik vertel hem de mooie verhalen die Rasidi ons gedaan heeft, in het bijzonder dat van de klap van zijn vader. Hij schudt met een brede glimlach het hoofd. Wa-at een klap moet dàt geweest zijn! Hij zet een gezicht alsof hij nog wel andere verhalen zou kunnen vertellen, al slaat hij hièraan blijkbaar geen geloof.

Maar Jane komt erbij; hij stopt zulke verhalen zijn niet voor dames en wandelt weg. Ik herlees Tolstoï's Hadji Moerad en de arabische trots in dit voortreffelijke militaire verhaal vermengt zich met gedachten over het eeuwige wantrouwen tussen Europeaan en Oosterling, die door de verhalen van Rasidi waarschijnlijk in mij zijn gewekt. En ik herinner mij opeens scherp deze voor mij pijnlijke gebeurtenis, die in Sukabumi plaatshad toen ik een jaar of 9 was, en die ik blijkbaar toch vergeten was toen ik mijn Land van Herkomst schreef.

Ik vertel het Jane en het sukabumische straatje komt weer duidelijk voor me, met het zonlicht van dat uur. Opeens gebeurde er toen iets: Hij zelf heette Ismaïl, ook dat is mij bijgebleven, ofschoon dit onze enige ontmoeting was. Hij rookte een sigaar met een mooie band erom; ik vroeg hem uit het rijtuig mij die even te geven, omdat ik de band ervan wilde bekijken. Hij zei spottend lachend: Hij bleef mij lachend aankijken en op het volgende ogenblik zei hij: Ik donder op je neer!

Ik was helemaal verbouwereerd, maar sprong weer op om hem ditmaal te lijf te gaan; maar in een ogenblik was hij uit de kring en in een gangetje verdwenen.

Mijn vader, die het gebeurde uit de voorgalerij gezien had, liet hem zoeken, en vijf minuten later verscheen hij weer, met hetzelfde brutale lachende gezicht, alsof hij zich werkelijk niets te verwijten had. Op de vraag waarom hij mij omgegooid had, antwoordde hij dat ik zijn sigaar had willen nemen om die weg te smijten. Mijn vader gaf hem een standje en joeg hem het erf af met een klap op de rug; hij liep even kranig heen als hij gekomen was en wat mij opviel was dat er een soort medeplichtigheid scheen te bestaan tussen mijn vader en hem, niet alleen in de manier waarop zij elkaar hadden aangekeken, maar tot in deze klap die geen werkelijke klap was geweest, maar iets vertrouwelijks had.

Het was mij of mijn vader hem een flinke jongen vond, flinker dan zijn eigen zoontje, en of hij zelf geloofde dat ik best de sigaar had kunnen wegsmijten. De hele gebeurtenis had geen kwartier geduurd en er werd niet meer over gesproken; nu, Hadji Moerad lezend, zag ik Ismaïl Pakaroedin terug, meende ik in die ene ontmoeting met hem dezelfde kinderlijke onvervaardheid te hebben gezien, terwijl zijn optreden toch niet vrij was van een soort verraderlijke lafheid, waar hij te doen had met een blanda, die zeker 5 jaar jonger en een heel stuk kleiner was dan hij.

Nieuwe cocktail-partij - en er komt er zelfs nòg een voor we in Singapore zijn. Maar deze keer o, men zal ons onze kuren wel afleren zijn we tijdig in de salon. Wij sluiten ons niet aan bij de juwelier, die juist dezer dagen zich gelucht. Omdat wij zo vroeg zijn, vinden we ook in de salon een apart tafeltje, zodat behalve de met iedereen klinkende kapitein alleen de dokter even bij ons komt.

Hij steekt zijn hand telkens op om de kapitein te roepen en hem dat te vertellen, waarbij het kleine vrouwtje smeekt: Hij legt ons nu uit: En de Engelsen dan! De lichten worden half uitgedraaid, wijn geschonken, tegen het eind van het diner worden groene en rode Heidelbergpetten en blauwe matrozenmutsen van papier rondgedeeld en de kapitein gaat zelf rond om de nog onwillige dames die op het hoofd te drukken. Voor straks op het dek worden races aangekondigd. Je denkt even, verblijd, dat ze plaats zullen hebben tussen de passagiers, de dikke dame tegen de mevrouw van de planter, de juwelier tegen de oude planter zelf, het handschoentje tegen de hysterica, en dat daarop zal worden gewed.

Maar neen, er staan houten paardjes en dobbelstenen en een baan met vakken is met krijt op het dek getekend. Wij gaan naar de voorplecht om in de wind te staan - verrukkelijke plek waar je altijd vandaan komt met machinesmeer aan je kleren; dan vlug de hut in. Terwijl boven gedanst wordt, probeer ik de Barrack-Room Ballads van Kipling te herlezen. Povere en vulgaire tetterettet-poëzie; men moet er misschien bij bedenken, dat hij er de uitvinder van was, maar het ongeluk is dat zijn epigonen het dan even goed hebben gedaan.

Mandalay , de trompet die melancholiek wordt. Ik ben bereid het. Jane komt bij me zitten met haar boek over de primitieve mentaliteit - ook zij bereidt zich op het Oosten voor! Een zendeling werd door een primitief hoofd ondervraagd hoe men in Europa oorlog voerde en beschreef hem hoe de mannen daar in rijen tegenover elkaar stonden en geweerschoten losten op elkaar. Met belangstelling vroeg het hoofd of zij dan buiten schot stonden en toen de zendeling ontkennend antwoordde, riep hij uit: Op deze woorden barstte een algemeen gelach uit.

Het is zozeer het gezond verstand dat Jane zelf bij oorlogvoeren gehuldigd zou willen zien, dat haar vreugde nauwelijks geringer is. Ik lach moeilijk mee; zelfs deze anecdote herinnert mij aan de veiligheid van dit schip, en aan Héverlé, Nicola en de anderen in Spanje. Een hollandse vertaling geeft voor. De juwelier vertelt aan de oude planter hoe hij eens een rechtzaak verloren heeft, doordat 5 Chinezen meineed kwamen plegen.

En 2 die hij nooit gezien had: Deze ongetwijfeld ware bekentenis ontlokt de oude heer een nieuw verhaal dat ons allen een uur boeit. De oude heer vertelt voortreffelijk; hieronder, in resumé, wat het verhaal bevatte. Op een dag, hij was toen ook nog employé, kwam de kokkin bij hem en zei: Hij zei dat het goed was, bleef rustig afwachten, en waarachtig, op een avond vond hij in de lijst van zijn raam een paar balletjes.

Die nacht ging hij in bed liggen met een geladen geweer; hij had een lichtje opgelaten, maar zo berekend dat zijn eigen hoofd in het donker lag, en zich doodstil gehouden. Tegen de morgen al, daar ging zijn deur geluidloos open; vlak om de hoek stond de geldkist, met een ander geweer erop, niet geladen, dat hij daar expres neergelegd had. Met stangen zeep werd de vloer tussen de kist en de deur eerst goed glad gemaakt; hij zag het duidelijk vanuit bed, steeds zonder te bewegen; dan werd met een lus van rotan de kist zelf aangehaakt en volkomen geluidloos over de zeeplaag naar buiten getrokken.

Hij maakte zich geenszins ongerust, want inplaats van geld had hij spaden in de kist gedaan; maar nu moest hij toch handelen; hij sprong in de deur en stond tegenover 3 inlanders: Het was een dubbelloop en hij schoot tweemaal: Terwijl hij de derde een eind naliep, wisten deze beide gevallenen ook weg te komen; hij volgde daarna een bloedspoor dat hem tot aan het huis bracht van zijn eigen mandoer.

De man zei hem dat het bloed geen bloed was, maar sirih-speeksel, en dat hij niemand had gezien; maar hij begon hem te verdenken en drong erop aan om ook in zijn huis te kijken. Hij liep binnen, maar één kamer bleef voor hem gesloten, omdat de vrouw van de mandoer zogenaamd daarachter aan het bevallen was.

Later bleek dat de mandoer zelfde inbraak had geleid, dat de gewonde zijn zwager was, en dat zijn vrouw op de man was gaan liggen om hem te verbergen en zonodig zijn bloed voor het hare te laten doorgaan. Die avond echter leek het de planter genoeg geweest; thuiskomend vond hij in zijn voorgalerij nog een paarlemoeren knoop. Een paar dagen later werd in een ravijn het lijk van een inlander gevonden, die de andere getroffene moest zijn; het schot met lopers had hem ontmand.

Men sprak van een geheimzinnige dood, en de planter zei ook niets. In dezelfde tijd was hij eens op bezoek bij het dorpshoofd, toen daar, ongezien door hem, een inlander zich aanmeldde als gewond; deze man zei, dat het bij het kappen op een onderneming gebeurd was. De planter wenkte het dorpshoofd en fluisterde hem toe: Op deze vraag noemde de man zijn eigen onderneming, en zelfs zijn eigen afdeling, waar niet alleen sinds lang niet gekapt was, maar zeker geen ongeluk had plaatsgehad.

Het gevolg was dat de gewonde als verdacht werd gearresteerd. Dit bleek toen de zwager te zijn van de mandoer, en hij gaf de gevluchte derde man op; dus toen de zaak voorkwam, zaten zij daar met hun beiden. De gewonde had bekend, maar de andere ontkende heftig, keek de planter brutaal aan en noemde ook hem een leugenaar; op dit ogenblik zag deze dat een knoop van 's mans jas ontbrak en door.

Zonder een woord te zeggen liep hij op hem toe, keek hem nog eens goed aan, haalde de gevonden knoop uit zijn zak en hield die waar de lucifer was; alle knopen waren van hetzelfde paarlemoer. Verder gepraat was onnodig, want de uitwerking was verpletterend: De planter, doodbedaard, riep twee agenten tot getuigen en diende meteen een klacht wegens bedreiging tegen hem in. De rechter antwoordde toen: Op dit punt - het strekt hem tot eer - opende de juwelier de mond en begon, als met een verbaasde zucht: Ik geloof dat de verhalen van de oude planter de winst zijn van deze reis.

Wij laten hem graag vertellen en hij vertelt graag. Vandaag kregen wij een verhaal over een heilig meer in Celebes, waarin hij gevist had; de bevolking had hem toen vergiftigd. Hij werd ziek, moest uit de rimboe weg, drie maanden lang was hij helemaal stijf. De dokter wist het niet te verklaren en dacht aan lijkengif. Maar na drie maanden was hij ook weer terug, en toen het opperhoofd hem zag op zijn last was het gif natuurlijk toegediend verklaarde hij hem bijna heilig.

Hij kreeg de kinderen van het opperhoofd, twee dochters en een zoontje, om ze op te voeden; nu, de jongen had hij teruggezonden, maar de meisjes had hij dan maar opgevoed. Het is niet te versmaden; maar is het genoeg? Deze deining van de Indische Oceaan is werkelijk anders dan tot dusver; je merkt het vooral als je de trap afgaat, die onder je in de diepte wegzakt, je tracht dan beneden te zijn voor hij weer tegen je opklimt.

Overmorgen Colombo; na de 16 dagen deense lunch verlang ik naar de kerry daar, zoals ik na het samenzijn met al deze mensen blij zou kunnen zijn met iedere derderangs-artist. Iedere middag in deze Oceaan krijgen wij een pracht van een zonsondergang: Hij was een van de vele Arabieren-en-Indiërs die op Java van een kleine handel in juwelen bestaan, maar in het soort moet hij een zeer eerlijk exemplaar zijn geweest. Hij was islamiet, maar behoorde niet tot de vermaardste rakkers die uit Gujrat komen; hij was dan ook ongeveer Afghaan en geen Arabier en kwam uit Sind.

Mijn moeder zat eens met een van haar indische vriendinnen in de voorgalerij, in Bandung, en zag hem voorbijgaan; zij kreeg lust om zich de toekomst te laten voorspellen en liet hem binnenroepen.

Hij verklaarde dat hij geen bedrieger was en dus ook de toekomst niet vertellen kon, maar dat hij goedkope en dure edelstenen verkocht en ook wel gekleurd glas. Hij was groot en fors, met een werkelijk innemend gezicht; wij raakten met hem bevriend en een paar maal in het jaar kwam hij plotseling opdagen en bleef enige dagen bij ons. Hij leerde mij schaken en had altijd verhalen, en hoewel hij niet occult genoeg was om de toekomst te voorspellen, gaf hij mij een talisman en met mijn ouders sprak hij veel over geesten.

Hij was overigens mohammedaan. Hij was toen nog jong, en vol religieuze gevoelens sloop hij er heen om achter de anderen neer te hurken. Het inlands hoofd zat in een stoel tegenover de schare, ook ernstig en zwijgend, en Moehammad begon te geloven dat hij een van zijn kinderen had verloren; hij kon niet anders veronderstellen of al deze mensen waren bijeengekomen voor een gebed.

Na enige tijd echter hoorde men ergens het kraaien van een haan. Al de eerbiedwaardige grijsaards zuchtten daarop: Zo zuiver was deze kraai, dat alle kenners verrukt waren. Maar voor Moehammad was meerder gekraai nodig eer de betekenis van de bijeenkomst tot hem doordrong: Volgens het andere verhaal zat hij eens in de trein, toen hij door een Chinees werd aangesproken.

De Chinees was scheel en met een gehavende huid, en wilde na enkele woorden weten hoe het mogelijk was om aan God te geloven. Na vruchteloos op het landschap gewezen te hebben en op de hand van God daarin, vroeg Moehammad: Tapi tida begini boesoek. Toen wij Europa verlieten, werden de eerste bombardementen van Madrid verwacht, daarna dat de stad binnen de week vallen zou. Wij hebben de radio-berichten, die hier slordig verschijnen en die wel zonder uitzondering van rechts zijn, met spanning gevolgd, en het is duidelijk: De juwelier gelooft ook dat het beter is van niet; ik zeg wederom niets.

Ik zeg, meer voor mezelf overigens dan tot de juwelier: Hij lacht; hij is Jood, haat Hitler dus. Hij wil weten wat ik van het boek denk; ik zeg het hem. Hij vertelt dan dat hij nu begonnen is aan Henri van de Overkant , dat de planter hem geleend heeft, zeggend dat het tegen de Joden ging; dat hem dat, gegeven de schrijfster, verwonderd had, en dat het hem dan ook niet waar leek, volgens het weinigje dat hij nu al gelezen had.

Maar de grootste moeilijkheid met kopers is dat ze stenen van duizend gulden zouden willen hebben voor honderd gulden. En dan zeggen ze: Want wat zegt ù dan wel, wil hij nu weten, van de werken van Querido? Daar zeggen ze nou allemaal van dat het een reuzeschrijver enz.

Van zó'n geweldige beroemdheid! Nou, wat staat er dan vast? Bij het binnenvaren fabrieksschoorstenen die blijken pijpen van stoomboten te zijn.

The Real Ceylon Tea of zoiets op het ogenblik dat ik dit schrijf ben ik het al vergeten. De engelse autoriteiten bekijken in de salon uitvoerig onze paspoorten. Zodra wij aan wal zijn laten wij ons naar het hollands kerkhof rijden. De grauwe zerken zijn als in Oud-Batavia, maar sommige grafmonumenten zijn romantisch gebroken als op de vignetten voor Rhijnvis Feith, en op enkele stenen zijn doodskoppen boven gekruiste beenderen aangebracht, als pirateritekenen naar het hart van Slauerhoff.

Oleanders staan kleurig tussen de graven op dit pleintje, beperkt als een binnenhof; kraaien zitten in de bomen, kalkoenen in kuilen tussen het onkruid. Daar de taxi wacht, blijven wij maar kort; van hier gaat het naar de hollandse kerk. Het is alsof wij vurige patriotten zijn, die voor niets oog hebben dan voor de eigen historie.

De donkere zitbanken lijken op oude buffetten. Onze gids legt mij in het maleis uit dat zijn vader van Djohor kwam, nu dood is, zijn moeder daarentegen van Ceylon zelf. Dorst doet ons eindigen in een engelse tea-room met de radiomuziek die men verwachten kon: Ol' Man River uit de Show-Boat en de barcarolle uit Les Contes d'Hoffmann ; een dikke mesties die zich verveelt, een energiek-uitziende blanke die druk met een andere blanke praat, enorme ice-cream-soda's en kleine pasteitjes met kerry erin, we zijn nu wel volop in de koloniën.

Ik laat mijn haar knippen door een pikzwarte kapper die mijn hoofd met vingers van rubber masseert, onder een sausje van menthol kneedt, mijn nek met menthol brandt, en zozeer als tovenaar optreedt dat ik met ijs op het hoofd weer op straat kom. Maar de hitte heeft maar 5 minuten nodig en alle menthol en ice-cream-soda lopen er in transpiratie weer uit. Je begrijpt opeens de oud-Indischgasten die. De volksmond zegt terecht: Aan boord terugkomend, lopen wij tegen de mevrouw van de planter en de hysterica aan die ook net terug zijn.

In een klein winkeltje moeten wij een trap op, worden dan geleid in een soort chambre séparée, met een houten ovalen tafel erin, die de hele ruimte vult, een zestal stoelen en twee gekleurde platen aan de wand van uitgeklede dikke dames die vergeten hebben hun hoed af te zetten. Hier komt de kerry voor ons: Vergeleken bij een goede indische rijsttafel lijkt het ons pover, en het glas bier dat erbij komt is misschien 4 dagen oud, althans brak en van alle bruising ontdaan. Als wij klaar zijn, dringt de restaurateur erop aan, dat wij nog wat zullen zitten; wat zouden wij buiten doen, terrassen zijn er immers niet?

En hij komt ons vertellen dat zijn vader moslim was, zijn moeder daarentegen een Colombose van Java van Java? Als wij eindelijk toch opstaan vindt hij het ook goed - hij is werkelijk heel. Het is nog maar 8 uur als wij weer op straat lopen, en behalve de enkele open winkels, waar je niet naar binnen durft kijken om niet toegeschreeuwd en bijna binnengesleurd te worden, is alles doods; al wat engelse zaak is, is sinds lang gesloten, geen blanke op straat, de volmaakte dood van de blanke, althans in deze York Street die naar de steiger terugvoert.

Onze illusie niet meer voor toerist door te gaan, is kinderlijk, want de Engelsman loopt hier blijkbaar niet. In de loods van de steiger worden wij toegesproken door een magere zwarte man die met de griezeligste magie een vierkante stuiver langs zijn naakte armen naar boven laat kronkelen; maar nadat hij ons demonisch heeft toegelachen, zegt hij dat hij ons voor een rupee het geheim zal leren en dat wij het hem direct na kunnen doen.

Het geheim blijkt te zijn, dat hij met een lange haar die aan zijn gordel vastzit en een stukje was uit zijn neus misschien, het ziet er sinister genoeg uit de stuiver gewoon optrekt; de haar ziet men niet op zijn zwarte huid. Ik kan het hem niet nadoen en hij krijgt dus geen rupee maar een shilling; het is een uitgave die mij een grote autoriteit verleent aan boord, want het handschoentje, dat de man ook ontmoet heeft, is nog ademloos van zijn zwarte kunst, en staart mij met ontzetting aan als ik het mysterie blootleg, erbij zeggend dat het maar een shilling gekost heeft.

Wij varen Colombo uit door een water, geel als dat van de Arno soms zijn kan, onder geroep door kinderstemmen van: En hier is weer iets dat je uren lang ziet: Ik vertel de oude planter de grote schildpadhistorie uit mijn jeugd: Het wordt hem een aanleiding om de wreedheid van de inlanders aan te demonstreren: Als tenslotte alleen nog kop, hals en hart overgelaten zijn, knippert zo'n beest nog met de ogen, tot bewijs dat de klant niet te klagen heeft.

Ik zie mezelf weer staan op dat strand, als een held en een wijze van tien jaar, toen ik mijn schildpad liet losmaken, tegen het gemompel van al die vissers in. Mijn zoontje speelt met Rasidi en de kinderen van de juwelier op een paar pas van ons af: Alain Ducroo, en Eric erbij, omdat zijn naam op een hollandse school anders niet uitgesproken kan worden en hij ermee zal worden geplaagd.

Ik heb Guy op een kostschool in Henegouwen moeten laten, om niet, door de onzekerheid van ons indisch avontuur, zijn toch al precaire opvoeding nog meer in de war te sturen, maar het Alijntje is op de gelukkige leeftijd dat reizen er niets toe doet, en op zijn manier verlicht hij zelfs enige moeilijkheden voor ons, normaliseert hij althans het verkeer dat. Vrouwen met kinderen hebben een gemakkelijker schijncontact door over de kinderen te spreken; zij bewonderende eetlust van elkaars kinderen, en het is soms bepaald vertederend elkaar uit te nodigen om de kinderen te zien baden.

Zoiets is inderdaad komisch en gracieus tegelijk, het is zelfs niet eens nodig, dat een kind in zijn bad een echt aardig kind is. Je staat erbij te lachen met een beetje het gevoel, dat je zelf als kind had, wanneer je moest spelen met kameraadjes die je niet zelf had uitgezocht en met het speelgoed dat je daar vond er toch nog het beste van wou maken.

Men pruttelt weer over de deense lunch, men zegt: Deze deense boten zijn bovendien niet zóveel goedkoper dan de hollandse, hoor, zegt de juwelier; en men komt overeen dat er eigenlijk maar één voordeel is: Maar als de hollandse boten hun prijzen maar even verlaagden, legden deze deense het compleet af, want een ruime hut weegt niet op tegen goed eten en meer feesten.

Het handschoentje wordt nu zwaar besproken, want Colombo heeft aan het licht gebracht hoe groot haar succes is bij de heren. De cockney heeft haar een ring gegeven; de dokter is niet meer van haar af te slaan.

Zij heeft met grote naiefheid tegen de dikke dame gezegd: Maar er is geen kwaad haar bij, het is vriendschap en jeugd bij jeugd. Het is mistroostig dit te bedenken, maar amusant als men zijn fantasie de vrije loop laat: Het succes van het handschoentje is misschien oorzaak dat een veel knapper maar ouder vrouwtje, dat in Colombo van boord is gegaan, nu openlijk wordt afgemaakt: De jongensachtige dokter blijkt hier de matador te zijn met de meest gevarieerde steken: Wat een interessant bestaan, dokter te zijn!

Ik amuseer mij, want ik herinner mij de innige toon waarop zij tegen mij gezegd heeft dat men in de koloniën inderdaad maar veel moest lezen: Elle n'en ratait pas une, in deze komedie! Zeven gezichten zijn eergisteren van boord verdwenen, maar het is of de anderen de gelederen hebben gesloten; je merkt de opluchting alleen in een slordiger beheer van de dekstoelen.

En iedereen heeft nu wel het mopje getapt over de dikke dame die meer dan ooit in broek rondloopt: De Engelsen spreken misschien minder over het eten dan de Hollanders, zij zijn dan ook een grotere natie. Zij reizen meer, en men hoort hen dus meer van hun reisavonturen gewagen; overal stijgt het toontje op van verwijtende lesgeving, waarmee zij elkaar en waarmee andere rassen een stout kind toespreken.

Een oude dame horen wij vanuit de verte verhalen hoe zij eens in Caïffa was aangekomen: De anderen, met hartstochtelijke belangstelling: Aan het tafeltje waar wij 's avonds koffie drinken, deelt de juwelier mee dat hij Henri van de Overkant nu bijna uit heeft, en er werkelijk niets in heeft aangetroffen tegen de Joden; maar de oude planter heeft zijn woorden dan ook teruggenomen, blijkbaar heeft hij de ander alleen maar willen plagen.

Wij komen over de politiek in Indië te praten, de oude planter komt erbij zitten en in een ogenblik heb ik de sfeer terug van mijn vader en zijn vrienden, zoveel jaar geleden: De kakkerlakken; als ze iets op je huid doen, krijg je een ongeneeslijke huidziekte.

De ratten in de dubbele bilikwanden; die brengen de pest. De slangen in de tuin, en niet alleen in de tuin, maar ze zijn dol op hout, dus ook vaak in de kamer; gelukkig dat er ongevaarlijke bij zijn.

Je moet altijd direct naar de pestbestrijding om je huis te laten nazien, in dat heerlijke land, en altijd gekookt water drinken, anders heb je zó tyfus. En hoe zal de W. En er zijn altijd muskieten op het water in de mandibakken, een douche is natuurlijk veel beter, maar daar is óók weer een leiding voor nodig, en die kost in Indië gepeperd duur.

Verveling; ergernis over je eigen karakterloosheid als je ook nog wat vertelt; je denkt. Sinds Colombo zet ik taai door in een franse vertaling van Camoëns' Os Lusiados , deels om Malakka, dat wij ook nog zien zullen, maar voornamelijk toch om de bewondering die Slauerhoff voor hem had. De lezing van dit boek zou die bewondering voorgoed kunnen verjagen; men vindt geen spoor van de Camoëns van Het Verboden Rijk , men vindt een voor onze smaak allerellendigst patriottisch epos, gelardeerd met alle oude trucs uit Ilias en Odyssee , goden en godinnen die rampen veroorzaken, Vasco da Gama die behoorlijk zijn Calypso's en Circe's opgediend krijgt.

Misschien nog genietbaar voor een portugees fascist in portugese strofen, maar armzalig in een prozavertaling, en de liefde van de Renaissance voor de Oudheid schijnt deze strijdbare poëet onmachtig te hebben gemaakt tot een grein oorspronkelijkheid. Zijn zwerflust en zijn verloren oog moeten de bewondering gaande houden, en natuurlijk ook nog het feit, dàt hij dit zwaar-op-de-handte opus uit de golven heeft gered.

En met zekere wanhoop kijk je naar de grote voorbeelden: Multatuli was ook 37 toen hij een nieuw leven begon. Tussen 37 en 47 hard werken, veel schrijven: Tussen 47 en 57? Onmogelijk er iets van te zeggen. Tussen 57 en 67? Gisteravond was er een rots als een wolk, waar wij in het donker op afvoeren, een licht opeens daarboven, tussen gescheurde wolken à la Doré , van een maan die zelf bedekt bleef.

De juwelier rende op mij af: Maar alleen het geld verdienen telt voor hen, daarbuiten wordt alles onlogisch. Anders is het immers maar liefhebberij; en natuurlijk, een liefhebberij is niet kwaad, zolang je het doèn kunt, d.

Ook dit gepraat gebeurt met o zo goede bedoeling, ze zouden je raad willen geven: Dat er andere waarden zouden kunnen bestaan voor deze mensen, ziedaar ònze domheid; en wij staren hen toch aan, verbaasd dat zoveel domheid kan bestaan. Een schrijver die niet verdient en die niets voelt voor wat een schrijver maakt die wèl verdient, dat is een doodgewoon verschijnsel dat zij in hun eigen wereld ook vaak genoeg ontmoet hebben: En de dwaasheid van een schrijver brengt hem tot tegenbetogen, terwijl hij alleen maar dingen zou moeten zeggen waarmee zij het zo heel erg eens zijn, dat zij alleen nog maar zwijgen kunnen of van de communie snorren.

Absoluut als vooropgesteld veronderstellen, dat je schrijft om geld te verdienen; hoe ongelukkig het is als je dáárvoor nog niet genoeg succes hebt; dat je dáárop toch altijd nog enige hoop koestert, enz. Nooit een groot voorbeeld noemen, want de grootste naam is voor hen niets dan een naam, en een naam die zij niet meteen in een cijfer kunnen omdenken bestaat voor hen niet. Maar de dwaasheid van een schrijver maakt dat hij kwaad wordt, dat hij binnenin van verontwaardiging blaakt en zich tevens vernederd voelt, alleen omdat hij merkt dat de Papoea's nooit van Galilei hebben gehoord.

In de morgen ontdekt men het eerste stuk van Sumatra: Sumatra, Pulau Weh, heuvelruggen, diepe inhammen, telkens rijkbegroeide heuvels met hier en daar een dak. Men zoekt vruchteloos te bepalen waar de Sabang-baai precies ligt.

Aan boord, ondanks alle kaarten, merk je dat je altijd minder weet dan je dacht; en dat je daar niet alleen in bent. Zelfs de oude planter, ex-scheepskapitein, weifelt. Terwijl wij doorvaren, wordt de lucht aan de horizon opeens als land, achter de wolken lijkt het blauw op nieuwe bergen, terwijl aan die kant niets kan zijn, en aan deze.

Morgen Penang, en dammit, vanavond afscheidsdiner, waarvoor men na het ontbijt al begint te dreigen met al of niet smoking, met wie speechen moet, etc. De oude planter is de oudste van de gasten, maar: Die vent, dat is de kapitein, die zich niet aan hem heeft voorgesteld en met wie hij nog geen woord gewisseld heeft, en wat duivel, die vent moet het toch van de passagiers hebben!

Maar morgen vergeten, en Penang. Ik heb over al deze voorbesprekingen de schouders opgehaald, maar tegen de avond, als iedereen naar beneden verdwijnt om toilet te maken, raak ik uit mijn humeur. Ik zou het niet moeten laten merken, maar ik ben Byron niet, en ik erken dat ik het vervloekt vervelend vind.

Er komt een drukke en omslachtige uitleg voor in ruil: Ik zeg hem dat zijn kostuum mij geen steek schelen kan en dat ik eenvoudig geen smoking aantrek omdat ik er geen heb; maar dit is de verbluffendste mededeling die ik hem doen kon: Hij is maar éven in Parijs geweest, maar mèt een smoking, en hij mag dan ook zeggen dat hij overal is geweest!

Ik zit tussen een hollandse en een engelse dame, aan de grote tafel ditmaal, met wie ik voor het eerst praat; de Engelse vraagt of ik de speech niet really good vind, maar ook dit praten valt mee als je er eenmaal aan toe bent. De oude planter staat op, zegt in het hollands dat hij wel de oudste is maar geen engels spreekt en daarom het woord geeft aan de cockney-kleermaker.

Hoe moet iemand zich voelen die iedere reis hoort zingen dat hij een jolly good fellow is en die misschien op iedere reis moet spreken van ships that pass in the night? Met één reserve-speech misschien als er passagiers bij zijn ships die al meermalen passeerden? De dokter staat op en drinkt op the ladies; een lady staat op en drinkt terug op the men. The men moeten hierbij blijven zitten; ik, die al driemaal was opgestaan, stond voor de vierde maal in de houding toen ik werd neergesist.

Twee dagen voor we Parijs verlieten drukte de lieve Claire Parker, Amerikaanse uit Boston en waarschijnlijk met negerbloed, ons op het hart hier te letten op Palmbeach, een van de prachtigste havens die zij bereisd had en waar zij bijna voor de boot te laat was gekomen. De eerste indruk, van een overstelpende lieflijkheid, is inderdaad die van enorm veel klapperpalmen. Aan wal gekomen, raken wij dadelijk in een onreële winkelbuurt, half-europees half-chinees maar van karton.

In een boekwinkel liggen de boeken overhoop en voor het rapen, uiterlijk geheel nieuw maar voor. Weer buiten proberen wij nog eens een rickshaw, waarmee wij in Ceylon hebben kennisgemaakt, en het sinistere gevoel is er weer: Bovendien, deze lastdieren verstaan niet wat men zegt, knikken met lepe oogjes en knorren beamend met monden vol tanden, daarna gaan zij kordaat de richting uit die hun toevallig invalt. Een Chinees op een fiets rijdt ons na om te waarschuwen dat wij verkeerd gaan, en het loopt uit op een taxi, door de waarschuwer verstrekt.

De rit naar de Air-Hitam-tempel brengt ons door een landschap, al zozeer op Java lijkend, dat Jane deze dag beschouwen mag als haar inwijding. De parvenuïge villa's van de Chinezen, maar ruim, in verrukkelijke tuinen, over het algemeen met veel meer bloemen dan men op Java ziet - de grote witte europese gebouwen - de weg met de huisjes van de inlandse bevolking - tot het stof en de geur ervan, zijn gelijkend. Er zijn ook meer palmen, of de opstelling ervan doet bewuster aan, als met het oog op een bepaalde aesthetica in het landschap gezet.

Wij bekijken met liefde de brede, soms tot op de grond hangende pisangblaren, in Colombo al gezien, maar hier zijn er zoveel meer.

Dicht bij de tempel, als wij een inlands dorp hebben doorgereden, een rivier met geel water, diep in de bedding, een bamboebruggetje erover.

Het beeld van de tropen is compleet, en op dit ogenblik begint het te regenen, kort en verwoed; lang genoeg overigens, omdat wij juist zijn aangekomen en nu onder papieren pajoengs, vlug uit een winkeltje gehaald, de heuvel op moeten. Half nat geregend ondanks de pajoengs komen wij bij de eerste altaren, maar wij moeten nieuwe trappen op; hier, onderweg, zien wij de bakken met de heilige schildpadden en het zwarte water waar de tempel naar genoemd is, maar het is mosgroen.

In dit groene water en op de stenen aan de kant lijken de schildpadden, als zij stil liggen, zelf op zwarte stenen, maar zij worden dikke dames met rheumatische manieren zodra zij zich willen verplaatsen.

De tempel zelf, boven een unicum in deze landen, volgens de gids, want verder alleen in Tibet en midden-China voorkomend , is vol beelden; de mooiste zijn sommige kleine van jade en verguld brons, maar het meest overweldigend de rij reusachtige die alle muren afzetten, rijk aan bolle vormen en met alle uitdrukkingen van razend tot beaat, terwijl nog andere wrokkend uit nissen loeren. Zij zien er meestal uit als van gloeiendrood brons, reuzen die een Don Quichote met gevelde lans en te paard even futiel in de lucht zouden kaatsen als de beroemde windmolens, maar wij vernemen dat zij van gips zijn en alleen als brons geverfd.

De altaren zijn overladen met papieren bloemen, die niet alleen doen denken aan roomse snuisterijen, maar waaronder er zijn als wierookvaten. Maar alles wordt geslagen door een vitrine waarachter de portretbeeldjes zijn verzameld van de donateurs: Het zijn allen kooplieden, chinese en siamese.

Een verdieping lager, waar een priester ons thee aanbiedt, zijn de muren nogmaals bedekt met hun beeltenissen, ditmaal in vergrote foto's. Als wij weer weggaan, is de regenbui al opgehouden; alle blaren zijn fris en glimmend, wat vooral opwekkend aandeed in het panorama uit de bovenste galerij en op een zee van palmkruinen.

Aan boord terug, vinden wij op het dek allerlei verkopers van steentjes naast waarzeggers. De juwelier doet goede zaken; om zijn vrouw een plezier te doen, laat ik mij in de hand lezen.

De man zou mij ook zeggen wat mijn beroep was, en dit alleen windt haar al op: Tot besluit neem ik de hand van een oude steentjesverkoper die achter hem staat en begin op mijn beurt te lezen; dat hij in zijn bestaan grote rampen heeft ondergaan, maar die moedig te boven is gekomen, dat hij, hoewel oud, nog voelt voor de vrouwen, met een voorliefde voor mollige; en de andere verkopers slaan zich op de dijen, alleen de waarzegger kijkt wat gepikeerd. De oude heer zelf echter, die steeds meer op Ghandi gaat lijken, riposteert; hij weet ook precies waar het leven uit bestaat, zegt hij, en met een geheimzinnig hoog stemmetje: Tot laat in de nacht zitten wij op het dek.

Met rusteloos gerammel en geknars van voor- en achterschip wordt gelost. De vrouw van de juwelier vertelt met haar moederlijke stembuigingen een paar drama's uit het zakenleven: De mevrouw van de planter komt erbij zitten, na veelmaals het dek te hebben doorkruist en het lossen gecontroleerd met hoge en zelfstandige blikken.

Dit is de saaiste reis die zij ooit gemaakt heeft, deelt zij ons nu mee, en zij deed toch 14 reizen in 10 jaren tijds. Hier heeft iedereen het land aan iedereen, en zij vooral aan dat vreselijke mens dat gisteren op de mannen heeft gedronken. Terwijl zij praat, bedenk ik dat iedereen, dus ook zij, het volste recht heeft mij op deze boot voor een cretijn aan te zien, dat wij het in zoverre dus eens zijn. Maar zij zelf is een klassiek type en ik heb tot dusver te weinig aandacht aan haar besteed, ondanks haar werkelijk goed gevormd lichaam, onder het astrante verouderende gezicht, haar shorts en haar vlotte engels: Het is volmaakt in overeenstemming met haar levenskunst, dat zij het bijgeloof heeft van de champagne.

En als zij zegt dat iedereen het land heeft aan iedereen, betekent dit dat iedereen het land heeft aan haar; de juwelier vertolkt dit aldus: Gauw een glas bier voor haar, al kan de juwelier dit aanzien voor gebrek aan karakter.

Het domme en luie lossen van de dakpannen in Penang heeft tot 4 uur 's morgens geduurd. In de nacht ben ik het dek opgegaan om te kijken; in de gapende ruimte beneden komt telkens een stalen beest krinkelen, happen naar een rij pannen, grijpt die precies, springt ermee omhoog; boven het gat even aarzelen; dan zwiert alles beurtelings naar links of rechts, boven de brede schuiten opzij van de boot, schokken daarin neer.

Er wordt maar weinig geschreeuwd, men ziet de zwarte mannetjes de pannen schikken die gegrepen moeten worden, de andere opschuiven die neergelegd zijn. Maar het duurt eindeloos. Vanmorgen, terwijl wij langs een blauwe kust naar Port Swettenham varen, komen alarmberichten van: Wij moeten die hebben vóór 4 uur 's middags uiterlijk, en het is niet eens zeker meer dat wij dat halen, zelfs als wij Malakka overslaan.

En die vervelende kapitein zegt aan tafel niets aan de passagiers, zoals op de hollandse boten. Het vooruitzicht doet mij ook uit mijn humeur raken, de rotterdamse agent van deze deense lijn heeft de aansluiting in Singapore zo goed als verzekerd.

Zodra de kapitein zich vertoont, vraag ik hem wanneer wij in Singapore zullen zijn, en het vonnis valt: Consternatie, vooral in de hollandse afdeling.

De juwelier denkt alles te kunnen veranderen door protesteren, de eerste officier heeft hem gezegd dat Malakka wèl kon worden overgeslagen, het is de kapitein die niet wil. De kapitein is een onaangename vent, zoals iedereen nu wel gezien heeft, maar de protesterende Hollander kan veel bereiken.

Hij bedenkt mogelijkheden om vanuit Port Swettenham met de trein te gaan, als wij vannacht nog weg kunnen. Tegen het vallen van het donker varen wij Port Swettenham binnen. Eerst een eind een rivier op; een verrukkelijk wateren-land-gezicht in zachte kleuren, dat verdiende met andere gevoelens te worden ontdekt. Maar als de boot vastligt, blijkt dat achter de enkele pakhuizen en hangars niets dan een gat is; dat verdere verbindingen moeten uitgaan van Kuala Lumpur, een uur verder.

Hier is niets en alles wat er was is al dicht: Een Chinees belt op om naar de prijzen te informeren van de trein, en onderwijl vult de juwelier met hees geschreeuw het kleine schrijfhok waarin dit plaatsheeft. Aan boord stelt de agent van de lijn een reductie voor op auto's naar Kuala Lumpur en op de trein 1e klas naar Singa-. Het is een gerimpelde kleine Engelsman met een hollandse naam, die energiekerig zit en praat naast de kapitein, grof maar wat verwezen in zijn hemdsmouwen.

Op dit ogenblik ben ik alleen nog maar de tolk van de juwelier, die geen engels praat en in het hollands dus eens zo fors zijn bezwaren kan opperen. Hij vindt alles te duur, wil eigen auto's huren en toch 2e klas reizen, maar als ik zeg dat wij niet meegaan, zakt hij af, d. Hier loop ik zwijgend weg. Een uur later hoor ik hem aan de oude planter uitleggen, dat hij niet denken moet dat het krenterigheid is, maar dat het hier gaat om het recht. De oude heer geeft goede raad: Mijn afkeer van deze mensen is op dit ogenblik zo groot, dat ik ertoe zou komen het Alijntje in de hut op mijn schoot te nemen en hem een uur lang als een paradijselijk meesterwerkje te bewonderen.

Maar ik heb het eigenlijk niet nodig, en wat ik er reëel van denk, is ook wel mooi genoeg. Hoeveel keer heb ik werkelijk op Alijntje gelet, heb ik inderdaad iets nieuws in hem kunnen noteren? Hoeveel Alijntjes zijn er al niet geweest en voorbijgegaan vóór hij het jongetje.

Bij zijn eerste verschijnen, in de wieg - twee minuten nadat Bella Héverlé mij om de hals gesprongen was omdat het een jongetje was, géén meisje! Een zuigeling leeft alleen met het gat in zijn gezicht. Toch is het leven voor hem al compleet: Hij mag het zich als een zieke tot geluk rekenen wanneer dit laatste in zijn bestaan overheerst.


.







Massage tantra limburg plas neuken